Inotuzumab ozogamicine
Tegen CD22 gericht antilichaam-geneesmiddelconjugaat (calicheamicine)
Inotuzumab ozogamicine is een antilichaam-geneesmiddelconjugaat: een gehumaniseerd IgG4-antilichaam dat CD22 herkent, is gekoppeld aan het cytotoxische middel N-acetyl-gamma-calicheamicinedimethylhydrazide. Nadat het antilichaam aan CD22 op leukemische B-cellen is gebonden en geïnternaliseerd, komt het cytotoxische deel vrij en veroorzaakt het breuken in dubbelstrengs DNA, waardoor stilstand van de celcyclus en apoptose optreden. In de EU is inotuzumab ozogamicine toegelaten als monotherapie voor volwassenen met gerecidiveerde of refractaire CD22-positieve precursor-B-cel acute lymfoblastische leukemie (ALL), en voor pediatrische patiënten van 1 jaar en ouder met CD22-positieve precursor-B-cel ALL in vastgestelde recidiefsituaties of met refractaire ziekte. Het wordt gegeven als een intraveneuze infusie van 1 uur op dag 1, 8 en 15 van cycli van 3 tot 4 weken. Hepatotoxiciteit, waaronder veno-occlusieve ziekte/sinusoïdaal obstructiesyndroom (VOD/SOS), is de belangrijkste waarschuwing, met name rond een hematopoëtische stamceltransplantatie.
Verkrijgbaar onder merknamen
Deze werkzame stof wordt, afhankelijk van regio en fabrikant, onder de volgende merknamen op de markt gebracht:
- Besponsa ®
Merknamen zijn geregistreerde handelsmerken van hun respectieve eigenaren. Pharmalogistic vertegenwoordigt, vervaardigt of distribueert de hierboven genoemde merkproducten niet.
Informatie aanvragen
Zoekt u een specifiek merk van deze werkzame stof?
Neem contact met ons op om beschikbaarheid en inkoop te bespreken.
Veelgestelde vragen
Inotuzumab ozogamicine: waarvoor wordt het gebruikt?
Inotuzumab ozogamicine is een antilichaam-geneesmiddelconjugaat: een gehumaniseerd IgG4-antilichaam dat CD22 herkent, is gekoppeld aan het cytotoxische middel N-acetyl-gamma-calicheamicinedimethylhydrazide.
Inotuzumab ozogamicine: is een recept vereist?
Ja. Inotuzumab ozogamicine is een receptplichtig geneesmiddel. Een geldig recept van een bevoegde arts is vereist en de receptvoorschriften van het land van bestemming worden vóór elke verzending gecontroleerd.
Inotuzumab ozogamicine: hoe moet het worden bewaard?
Bewaar Inotuzumab ozogamicine bij 2–8 °C; niet invriezen; in de oorspronkelijke doos bewaren ter bescherming tegen licht, in de originele verpakking, beschermd tegen licht en buiten het bereik van kinderen. Na eerste gebruik: Gereconstitueerde oplossing: onmiddellijk gebruiken, of tot 4 uur bij 2–8 °C, beschermd tegen licht en niet ingevroren. Verdunde oplossing: onmiddellijk gebruiken of bewaren bij 20–25 °C of 2–8 °C, beschermd tegen licht; niet langer dan 8 uur vanaf de reconstitutie tot het einde van de toediening, en niet langer dan 4 uur tussen reconstitutie en verdunning.
Inotuzumab ozogamicine: is gekoelde verzending (koelketen) nodig?
Ja. Inotuzumab ozogamicine moet bij 2–8 °C; niet invriezen; in de oorspronkelijke doos bewaren ter bescherming tegen licht worden bewaard en wordt daarom verzonden in geïsoleerde verpakking met koelelementen, op maat voor de volledige transittijd, zodat de temperatuurketen van verzending tot levering ononderbroken blijft.
Inotuzumab ozogamicine: onder welke merknamen wordt het verkocht?
Inotuzumab ozogamicine wordt, afhankelijk van land en fabrikant, op de markt gebracht als Besponsa. Merknamen zijn handelsmerken van hun respectieve eigenaren; Pharmalogistic vertegenwoordigt of distribueert de merkproducten niet.
Inotuzumab ozogamicine: welke sterktes zijn beschikbaar?
Inotuzumab ozogamicine is beschikbaar in de volgende sterktes: 1 mg poeder voor concentraat voor oplossing voor infusie. De geschikte sterkte en het doseringsschema worden bepaald door de behandelend arts.
Inotuzumab ozogamicine: wat is de houdbaarheid?
De houdbaarheid van Inotuzumab ozogamicine is 5 jaar (ongeopende injectieflacon) bij bewaring volgens de aanbevelingen. Niet meer gebruiken na de uiterste houdbaarheidsdatum die op de verpakking staat vermeld.
Medische informatie en richtlijnen
Farmacologie, indicaties en veiligheidsprofiel van deze werkzame stof
Farmacologische werking
Inotuzumab ozogamicine is een tegen CD22 gericht antilichaam-geneesmiddelconjugaat (ADC). Leukemische cellen dragen lijnspecifieke antigenen, en CD22, dat voorkomt op rijpe en onrijpe B-cellen, is een van de meest voorkomende. Het antilichaam is een recombinant gehumaniseerd IgG4-kappa-antilichaam dat is geproduceerd in ovariumcellen van Chinese hamsters. Het is covalent gekoppeld, via een door zuur splitsbare linker, aan N-acetyl-gamma-calicheamicinedimethylhydrazide, een cytotoxisch product.
Werkingsmechanisme
- Binding en internalisatie: het antilichaamdeel herkent specifiek humaan CD22. Nadat het is gebonden aan tumorcellen die CD22 tot expressie brengen, wordt het ADC-CD22-complex in de cel opgenomen.
- Vrijkomen van het cytotoxine: in de cel komt door hydrolytische splitsing van de linker N-acetyl-gamma-calicheamicinedimethylhydrazide vrij.
- DNA-schade: het vrijgekomen middel bindt aan de kleine groeve van het DNA en veroorzaakt breuken in dubbelstrengs DNA, gevolgd door stilstand van de celcyclus en apoptotische celdood.
- QT-interval: in klinische onderzoeken werd verlenging van het QT-interval waargenomen (zie Bijzondere voorzorgsmaatregelen).
- Immunogeniciteit: 7 van de 236 volwassenen (3%) testten positief op antilichamen tegen het geneesmiddel, geen enkele op neutraliserende antilichamen, zonder effect op de klaring. Geen van de 51 pediatrische patiënten testte positief.
Farmacokinetiek
- Blootstelling: bij de aanvangsdosis van 1,8 mg/m² per cyclus wordt de steady-state-blootstelling bereikt in cyclus 4. De gemiddelde (SD) piekconcentratie in het serum bedroeg 308 ng/ml (362), en de gesimuleerde totale AUC per cyclus bij steady state bedroeg 100 µg·h/ml (SD 32,9). De blootstelling nam tussen cyclus 1 en 4 ongeveer 5,3 keer toe.
- Distributie: het totale distributievolume bedraagt ongeveer 12 l. Het vrijgekomen N-acetyl-gamma-calicheamicinedimethylhydrazide is in vitro voor ongeveer 97% gebonden aan humane plasma-eiwitten en is een substraat van P-glycoproteïne.
- Metabolisme: in vitro wordt het calicheamicinederivaat voornamelijk niet-enzymatisch gereduceerd. Bij patiënten lagen de serumspiegels doorgaans onder de kwantificeringsgrens van 50 pg/ml, met sporadisch meetbare spiegels van ongeconjugeerd calicheamicine tot 276 pg/ml. Het antilichaamdeel wordt naar verwachting afgebroken tot aminozuren.
- Eliminatie: een tweecompartimentenmodel met lineaire en tijdsafhankelijke klaring beschrijft de gegevens. Bij 234 patiënten bedroeg de klaring bij steady state 0,0333 l/h en de terminale halfwaardetijd aan het einde van cyclus 4 ongeveer 12,3 dagen. Het lichaamsoppervlak heeft een significante invloed op de dispositie, daarom wordt de dosis erop gebaseerd.
- Speciale populaties: leeftijd, ras en geslacht hadden geen significante invloed op de dispositie. Er zijn geen formele farmacokinetische onderzoeken verricht bij leverfunctiestoornis.
Indicaties
- Volwassenen: monotherapie bij gerecidiveerde of refractaire CD22-positieve precursor-B-cel acute lymfoblastische leukemie (ALL). Bij patiënten met Philadelphiachromosoom-positieve (Ph+) gerecidiveerde of refractaire precursor-B-cel ALL dient de behandeling met ten minste 1 tyrosinekinaseremmer (TKI) niet werkzaam te zijn gebleken.
- Pediatrische patiënten van 1 jaar en ouder: monotherapie bij CD22-positieve precursor-B-cel ALL bij het eerste recidief na allogene hematopoëtische stamceltransplantatie (HSCT); na ieder eerste recidief bij patiënten met ziekte met zeer hoog risico (Very High Risk, VHR); na een tweede of later recidief; en bij refractaire ziekte. Bij patiënten met Ph+-ziekte dienen de relevante op BCR-ABL gerichte behandelopties te zijn uitgeput.
Contra-indicaties
- Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de hulpstoffen.
- Eerdere bevestigde ernstige of aanhoudende veno-occlusieve leverziekte/sinusoïdaal obstructiesyndroom (VOD/SOS).
- Ernstige aanhoudende leveraandoening (bijvoorbeeld cirrose, nodulaire regeneratieve hyperplasie of actieve hepatitis).
Bijwerkingen
De meest voorkomende reacties (20% of meer) bij volwassenen waren trombocytopenie (51%), neutropenie (49%), infectie (48%), anemie (36%), leukopenie (35%), vermoeidheid (35%), bloeding (33%), koorts (32%), misselijkheid (31%), hoofdpijn (28%), febriele neutropenie (26%), verhoogde transaminasen (26%), buikpijn (23%), verhoogde gamma-glutamyltransferase (21%) en hyperbilirubinemie (21%). De meest voorkomende ernstige reacties (2% of meer) waren infectie (23%), febriele neutropenie (11%), bloeding (5%), buikpijn (3%), koorts (3%), VOD/SOS (2%) en vermoeidheid (2%). De onderstaande groepen betreffen volwassenen met gerecidiveerde of refractaire ALL en tellen alle voorvallen ongeacht de oorzaak.
Zeer vaak (≥1/10): infectie (waaronder sepsis en bacteriëmie, infecties van de onderste en bovenste luchtwegen, schimmel-, virale, maagdarmstelsel-, huid- en bacteriële infecties), febriele neutropenie, neutropenie, trombocytopenie, leukopenie, lymfopenie, anemie, verminderde eetlust, hoofdpijn, bloeding (waaronder epistaxis, bloeding in het bovenste en onderste maagdarmkanaal en bloeding in het centrale zenuwstelsel), buikpijn, braken, diarree, misselijkheid, stomatitis, constipatie, hyperbilirubinemie, verhoogde transaminasen, verhoogde gamma-glutamyltransferase, verhoogde alkalische fosfatase, koorts, vermoeidheid, rillingen, infusiegerelateerde reactie.
Vaak (≥1/100 tot <1/10): pancytopenie, overgevoeligheid, tumorlysissyndroom, hyperurikemie, ascites, abdominale distensie, VOD/SOS (3% vóór transplantatie), verlengd QT-interval op ECG, verhoogde amylase, verhoogde lipase.
In de minder frequente categorieën van de SmPC-tabel voor volwassenen zijn geen reacties vermeld.
Pediatrische patiënten: bij 53 patiënten van 1 tot jonger dan 18 jaar waren de meest voorkomende reacties (meer dan 30%) trombocytopenie (51%), koorts (49%), anemie (45%), braken (45%), neutropenie (40%), infectie (38%), bloeding (36%), leukopenie (32%) en misselijkheid (32%). De meest voorkomende ernstige reacties (2% of meer) waren febriele neutropenie (15%), VOD (15%) en infectie (13%). In de pediatrische tabel van de SmPC behoren tumorlysissyndroom (11%) en veno-occlusieve ziekte (15%) tot de zeer vaak voorkomende reacties, terwijl hyperbilirubinemie, rillingen, QT-verlenging en infusiegerelateerde reacties vaak voorkomen.
Belangrijke ernstige reacties:
- VOD/SOS: in het pivotale onderzoek bij volwassenen (164 patiënten) trad het op bij 23 (14%), waaronder 5 (3%) zonder tussenkomende transplantatie. Van de 79 patiënten die doorgingen naar HSCT ontwikkelden 18 (23%) VOD/SOS, en 5 van deze voorvallen waren fataal. Bij kinderen trad het op bij 8 van de 53 (15%) en bij 5 van de 26 getransplanteerde patiënten (19%).
- Infecties en bloedingen: fatale infecties traden op bij 8 volwassenen (5%); hemorragische voorvallen van graad 3 of 4 traden op bij 5% van de volwassenen, waaronder één fatale intra-abdominale bloeding.
- Infusiegerelateerde reacties (10% van de volwassenen, alle van graad 2 of lager) traden over het algemeen op in cyclus 1, kort na het einde van de infusie. Tumorlysissyndroom (2%) kan levensbedreigend of fataal zijn.
Geneesmiddelinteracties
Er is geen interactieonderzoek uitgevoerd.
- Enzymen en transporters: op basis van in-vitrogegevens is het onwaarschijnlijk dat remmers of inductoren van cytochroom-P450-(CYP-) of UGT-enzymen de blootstelling aan N-acetyl-gamma-calicheamicinedimethylhydrazide veranderen. Het is ook onwaarschijnlijk dat inotuzumab ozogamicine en dit cytotoxische deel de blootstelling aan CYP-substraten veranderen, en dat het cytotoxische deel de blootstelling aan UGT-substraten of belangrijke geneesmiddeltransporters verandert.
- Geneesmiddelen die het QT-interval verlengen: omdat QT-verlenging is opgetreden, moet het combineren van inotuzumab ozogamicine met geneesmiddelen waarvan bekend is dat ze het QT-interval verlengen of torsades de pointes veroorzaken zorgvuldig worden overwogen, en dient het QT-interval te worden gecontroleerd wanneer ze worden gecombineerd.
- Levende virale vaccins: niet aanbevolen vanaf ten minste 2 weken vóór de behandeling, tijdens de behandeling en tot het herstel van B-lymfocyten na de laatste cyclus (zie Bijzondere voorzorgsmaatregelen).
Toediening en dosering
Besponsa dient te worden toegediend onder toezicht van een arts met ervaring in het uitvoeren van kankerbehandelingen en in een omgeving waar volledige reanimatievoorzieningen onmiddellijk beschikbaar zijn. Vóór behandeling van gerecidiveerde of refractaire B-cel-ALL is een CD22-positiviteit bij aanvang van meer dan 0% in een gevalideerde en gevoelige test vereist.
Vóór en tijdens de infusie
- Circulerende lymfoblasten: vóór de eerste dosis wordt cytoreductie met hydroxycarbamide, steroïden en/of vincristine tot een aantal blasten in het perifere bloed van 10.000/mm³ of minder aanbevolen.
- Premedicatie: een corticosteroïd, een antipyreticum en een antihistaminicum vóór de toediening. Bij een hoge tumorlast worden premedicatie om de urinezuurspiegels te verlagen en hydratatie aanbevolen.
- Observatie: patiënten worden tijdens de infusie en gedurende ten minste 1 uur daarna geobserveerd op infusiegerelateerde reacties.
- Infusie: intraveneus, gedurende 1 uur; de infusieduur wordt verlengd tot 1,5 uur bij pediatrische patiënten die minder dan 35 kg wegen om QT-verlenging te beperken. Het mag niet worden gegeven als snelle intraveneuze injectie of intraveneuze bolus. Het wordt vóór gebruik gereconstitueerd en verdund (zie rubriek 6.6 van de SmPC).
Aanbevolen dosis
De behandeling wordt gegeven in cycli van 3 tot 4 weken met doses op dag 1, 8 en 15 (dag 8 en 15 mogen 2 dagen variëren, waarbij ten minste 6 dagen tussen de doses wordt aangehouden). Hetzelfde schema geldt voor volwassenen en pediatrische patiënten.
- Cyclus 1 (alle patiënten): totale dosis 1,8 mg/m² per cyclus, verdeeld in 0,8 mg/m² op dag 1, 0,5 mg/m² op dag 8 en 0,5 mg/m² op dag 15. De cyclus duurt 21 dagen en kan worden verlengd tot 28 dagen als de patiënt een complete remissie (CR) of complete remissie met incompleet hematologisch herstel (CRi) bereikt, en/of om herstel van toxiciteit mogelijk te maken.
- Latere cycli (28 dagen): patiënten die CR of CRi hebben bereikt, krijgen 1,5 mg/m² per cyclus, verdeeld in 0,5 mg/m² op elk van dag 1, 8 en 15. Patiënten die geen CR of CRi hebben bereikt, krijgen 1,8 mg/m² per cyclus (0,8; 0,5 en 0,5 mg/m²).
- Aantal cycli: voor patiënten die doorgaan naar HSCT worden 2 cycli aanbevolen, en een derde cyclus kan worden overwogen als zij na 2 cycli geen CR of CRi met negativiteit voor minimale residuale ziekte (MRD) bereiken. Voor patiënten die niet doorgaan naar HSCT kunnen maximaal 6 cycli worden gegeven. De behandeling wordt gestaakt als binnen 3 cycli geen CR of CRi wordt bereikt.
- CR betekent minder dan 5% blasten in het beenmerg, geen leukemische blasten in het bloed, volledig herstel van de bloedwaarden (bloedplaatjes ten minste 100 × 10⁹/l en neutrofielen ten minste 1 × 10⁹/l) en verdwijnen van enige extramedullaire ziekte; CRi is hetzelfde met incompleet herstel van de bloedwaarden.
Dosisaanpassingen
- Een dosis die is verlaagd vanwege behandelingsgerelateerde toxiciteit wordt niet opnieuw verhoogd.
- Bloedwaarden op dag 1 van een cyclus: als de neutrofielen (ten minste 1 × 10⁹/l vóór de behandeling) of bloedplaatjes (ten minste 50 × 10⁹/l vóór de behandeling) dalen, wordt de volgende cyclus onderbroken tot zij zijn hersteld tot die niveaus. Als de waarden vóór de behandeling lager waren, wordt de volgende cyclus onderbroken tot de waarden zijn hersteld tot ten minste de uitgangswaarde van de voorafgaande cyclus, of 1 × 10⁹/l (neutrofielen) en 50 × 10⁹/l (bloedplaatjes) bereiken, of tot de ziekte stabiel of verbeterd is en de daling wordt toegeschreven aan de onderliggende ziekte. Doses op dag 8 en 15 hoeven niet te worden onderbroken voor neutropenie of trombocytopenie, maar onderbrekingen binnen een cyclus worden aanbevolen bij niet-hematologische toxiciteit.
- VOD/SOS of andere ernstige levertoxiciteit: definitief staken.
- Totaal bilirubine boven 1,5 maal de bovengrens van normaal (ULN) en AST/ALT boven 2,5 maal de ULN: onderbreken tot herstel tot 1,5 × ULN of lager en 2,5 × ULN of lager vóór elke dosis, tenzij het gevolg van het syndroom van Gilbert of hemolyse; definitief staken als de waarden niet herstellen.
- Infusiegerelateerde reactie: de infusie onderbreken en medische behandeling starten; overweeg de infusie te staken of steroïden en antihistaminica toe te dienen. Definitief staken bij ernstige of levensbedreigende reacties.
- Andere behandelingsgerelateerde niet-hematologische toxiciteit van graad 2 of hoger: onderbreken tot herstel tot graad 1 of de graad vóór de behandeling vóór elke dosis.
- Duur van de onderbreking: korter dan 7 dagen binnen een cyclus: de volgende dosis onderbreken; 7 dagen of langer: de volgende dosis in de cyclus overslaan; 14 dagen of langer: na herstel de totale dosis voor de volgende cyclus met 25% verlagen, vervolgens naar 2 doses per cyclus als verdere aanpassing nodig is, en staken als dat niet wordt verdragen; langer dan 28 dagen: definitief staken overwegen.
Speciale populaties
- Ouderen: geen aanpassing van de aanvangsdosis.
- Leverfunctiestoornis: geen aanpassing van de aanvangsdosis wanneer totaal bilirubine 1,5 × ULN of lager is en AST/ALT 2,5 × ULN of lager. Boven deze waarden is de veiligheidsinformatie beperkt: de toediening wordt vóór elke dosis onderbroken tot herstel, en de behandeling wordt gestaakt als de waarden niet herstellen.
- Nierfunctiestoornis: geen aanpassing van de aanvangsdosis bij lichte, matige of ernstige stoornis (creatinineklaring 60–89, 30–59 of 15–29 ml/min). Het is niet onderzocht bij terminale nierziekte.
- Kinderen: het bovenstaande schema geldt vanaf de leeftijd van 1 jaar; de veiligheid en werkzaamheid bij kinderen jonger dan 1 jaar zijn niet vastgesteld.
Bijzondere voorzorgsmaatregelen
Hepatotoxiciteit, waaronder VOD/SOS
- Hepatotoxiciteit, waaronder ernstige, levensbedreigende en soms fatale VOD/SOS, is gemeld bij patiënten met gerecidiveerde of refractaire ALL. Besponsa verhoogde het risico op VOD/SOS in deze populatie significant ten opzichte van standaardchemotherapie, het sterkst bij patiënten die vervolgens een HSCT ondergingen.
- Na HSCT was de gemelde frequentie van VOD/SOS 50% of meer bij patiënten die een conditioneringsschema met 2 alkylerende middelen kregen, bij patiënten van 65 jaar of ouder en bij patiënten met een serumbilirubine gelijk aan of boven de ULN vóór HSCT.
- Conditioneringsschema’s met 2 alkylerende middelen dienen te worden vermeden, en de baten-risicoverhouding dient zorgvuldig te worden afgewogen wanneer deze waarschijnlijk onvermijdelijk zijn. Als het bilirubine vóór HSCT gelijk aan of boven de ULN is, dient HSCT na Besponsa alleen te volgen na zorgvuldige afweging van de baten-risicoverhouding, met nauwlettende controle op VOD/SOS.
- Andere factoren die verband houden met een hoger risico op VOD/SOS na HSCT zijn een eerdere HSCT, een leeftijd van 55 jaar of ouder, leverziekte en/of hepatitis in de voorgeschiedenis vóór de behandeling, salvagebehandelingen in een later stadium en een groter aantal behandelcycli. Zorgvuldige afweging is nodig bij patiënten die eerder een HSCT hebben ondergaan; geen enkele patiënt in de onderzoeken had in de voorafgaande 4 maanden een transplantatie ondergaan.
- Patiënten met leverziekte in de voorgeschiedenis dienen zorgvuldig te worden beoordeeld (bijvoorbeeld echografie, testen op virale hepatitis) om ernstige aanhoudende leverziekte uit te sluiten. Vanwege het risico op VOD/SOS worden 2 cycli aanbevolen voor patiënten die doorgaan naar HSCT.
- Tekenen en symptomen van VOD/SOS dienen bij alle patiënten nauwlettend te worden gecontroleerd, vooral na HSCT. Deze kunnen bestaan uit verhoogd totaal bilirubine, hepatomegalie (die pijnlijk kan zijn), snelle gewichtstoename en ascites; controle van alleen het bilirubine identificeert mogelijk niet elke patiënt met een risico. ALT, AST, totaal bilirubine en alkalische fosfatase dienen vóór en na elke dosis te worden gecontroleerd, vaker indien afwijkend, en nauwlettend gedurende de eerste maand na HSCT.
- De behandeling moet definitief worden gestaakt als VOD/SOS optreedt. Ernstige VOD/SOS wordt behandeld volgens de standaard medische praktijk.
Myelosuppressie en infecties
Neutropenie, trombocytopenie, anemie, leukopenie, febriele neutropenie, lymfopenie en pancytopenie, sommige levensbedreigend, zijn gemeld, met complicaties zoals infecties en bloedingen. Het volledige bloedbeeld dient vóór elke dosis te worden gecontroleerd, en patiënten dienen te worden gevolgd op tekenen van infectie (tijdens de behandeling en na HSCT), bloeding en andere effecten van myelosuppressie. Profylactische anti-infectiemiddelen en bewakingsonderzoeken dienen naar behoefte te worden gebruikt. Voor de behandeling kan een onderbreking van de dosering, een dosisverlaging of staking nodig zijn.
Infusiegerelateerde reacties
Infusiegerelateerde reacties zijn gemeld. Premedicatie met een corticosteroïd, antipyreticum en antihistaminicum wordt aanbevolen, en patiënten dienen tijdens en gedurende ten minste 1 uur na de infusie nauwlettend te worden gecontroleerd op symptomen zoals hypotensie, opvliegers of ademhalingsproblemen. Als er een reactie optreedt, wordt de infusie onderbroken en behandeld; bij ernstige of levensbedreigende reacties wordt de behandeling definitief gestaakt.
Tumorlysissyndroom
Tumorlysissyndroom, dat levensbedreigend of fataal kan zijn, is gemeld. Bij patiënten met een hoge tumorlast worden vóór de toediening premedicatie om de urinezuurspiegels te verlagen en hydratatie aanbevolen. Patiënten worden gecontroleerd op tekenen en symptomen en behandeld volgens de standaard medische praktijk.
Verlenging van het QT-interval
QT-verlenging is waargenomen. Besponsa dient met voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten met een voorgeschiedenis van of aanleg voor QT-verlenging, die geneesmiddelen gebruiken waarvan bekend is dat ze het QT-interval verlengen, of die elektrolytstoornissen hebben. Vóór de behandeling dienen een ECG en elektrolyten te worden bepaald en periodiek te worden gecontroleerd.
Verhoogde amylase en lipase
Verhogingen van amylase en lipase zijn gemeld bij volwassenen en kinderen. Deze dienen te worden gecontroleerd, en mogelijke hepatobiliaire ziekte dient te worden beoordeeld en behandeld volgens de standaard medische praktijk.
Immunisatie
De veiligheid van immunisatie met levende virale vaccins tijdens of na Besponsa is niet onderzocht. Levende virale vaccins worden niet aanbevolen gedurende ten minste 2 weken vóór de start van de behandeling, tijdens de behandeling en tot het herstel van B-lymfocyten na de laatste cyclus.
Traceerbaarheid
Om de traceerbaarheid van biologische geneesmiddelen te verbeteren moeten de naam en het batchnummer van het toegediende product duidelijk worden geregistreerd.
Zwangerschap, borstvoeding en vruchtbaarheid
- Anticonceptie: vrouwen die zwanger kunnen worden, dienen te voorkomen dat ze zwanger worden en effectieve anticonceptie te gebruiken tijdens de behandeling en gedurende ten minste 8 maanden na de laatste dosis. Mannen met vrouwelijke partners die zwanger kunnen worden, dienen effectieve anticonceptie te gebruiken tijdens de behandeling en gedurende ten minste 5 maanden na de laatste dosis.
- Zwangerschap: er zijn geen gegevens bij zwangere vrouwen. Op basis van niet-klinische bevindingen kan inotuzumab ozogamicine embryofoetale schade veroorzaken, en dierstudies hebben reproductietoxiciteit aangetoond. Het mag tijdens de zwangerschap niet worden gebruikt, tenzij het voordeel voor de moeder opweegt tegen het risico voor de foetus. Zwangere vrouwen, patiënten die tijdens de behandeling zwanger worden en behandelde mannelijke partners van zwangere vrouwen moeten worden geïnformeerd over het potentiële gevaar voor de foetus.
- Borstvoeding: er zijn geen gegevens over de aanwezigheid ervan in moedermelk. Vrouwen mogen tijdens de behandeling en gedurende ten minste 2 maanden na de laatste dosis geen borstvoeding geven.
- Vruchtbaarheid: niet-klinische bevindingen wijzen erop dat de mannelijke en vrouwelijke vruchtbaarheid kan zijn aangetast, en er is geen informatie bij patiënten. Zowel mannen als vrouwen moeten vóór de behandeling advies inwinnen over het behoud van de vruchtbaarheid.
Natrium
Elke injectieflacon van 1 mg bevat minder dan 1 mmol (23 mg) natrium, dat wil zeggen dat het in wezen ‘natriumvrij’ is. Omdat het product verder kan worden bereid met natriumhoudende oplossingen, dient hiermee rekening te worden gehouden bij de totale hoeveelheid natrium die aan de patiënt wordt toegediend.
Effect op de rijvaardigheid
Besponsa heeft een matige invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om machines te bedienen. Patiënten kunnen zich tijdens de behandeling vermoeid voelen, daarom is voorzichtigheid geboden bij het besturen van voertuigen of het bedienen van machines.
Bewaarcondities
Besponsa bewaren in een koelkast bij 2 °C tot 8 °C. Niet invriezen. De injectieflacon in de oorspronkelijke doos bewaren ter bescherming tegen licht. De koudeketen ononderbroken houden van levering tot bereiding. Zie Houdbaarheid voor bewaring na reconstitutie en verdunning. Elke doos bevat één injectieflacon van amberkleurig glas type I met een chloorbutylrubberen stop en een felsdop met flip-off-dop, die 1 mg poeder bevat.
Houdbaarheid
5 jaar voor de ongeopende injectieflacon. Besponsa bevat geen bacteriostatische conserveermiddelen. De gereconstitueerde oplossing moet onmiddellijk worden gebruikt; als dat niet mogelijk is, kan deze maximaal 4 uur in een koelkast (2–8 °C) worden bewaard, beschermd tegen licht en niet ingevroren. De verdunde oplossing moet onmiddellijk worden gebruikt of worden bewaard bij kamertemperatuur (20–25 °C) of in een koelkast (2–8 °C), beschermd tegen licht en niet ingevroren. De maximale tijd vanaf reconstitutie tot het einde van de toediening is 8 uur, met niet meer dan 4 uur tussen reconstitutie en verdunning.
Afleveringsvoorwaarden in de apotheek
Uitsluitend op voorschrift (Rx). De behandeling wordt gegeven onder toezicht van een arts met ervaring in het uitvoeren van kankerbehandelingen, in een omgeving met volledige reanimatievoorzieningen. Besponsa is een intraveneuze infusie en een gekoeld product (2–8 °C), daarom wordt het onder koudeketenomstandigheden geleverd aan het ziekenhuis of de kliniek die het toedient.
Verwante geneesmiddelen
Andere werkzame stoffen in hetzelfde therapeutisch gebied of dezelfde geneesmiddelenklasse.
Abemaciclib
CDK4/6-remmer (proteïnekinaseremmer)
Abiraterone
CYP17-remmer (remmer van de androgeenbiosynthese)
Acalabrutinib
BTK-remmer (proteïnekinaseremmer)
Adagrasib
KRAS G12C-remmer
Afatinib
ErbB-familieblokker (proteïnekinaseremmer)
Aflibercept
VEGF-remmer (recombinant fusie-eiwit)
Belangrijke kennisgeving
De informatie op deze website is uitsluitend bedoeld voor algemene informatieve en educatieve doeleinden en vormt geen medisch advies, diagnose of behandelingsaanbeveling. Deze informatie is niet bedoeld ter vervanging van overleg met een gekwalificeerde zorgverlener. Vraag bij vragen over een medische aandoening of geneesmiddel altijd advies aan uw arts, apotheker of een andere gekwalificeerde zorgverlener. Negeer nooit professioneel medisch advies en stel het inwinnen ervan niet uit op grond van informatie op deze website. Productbeschikbaarheid, goedgekeurde indicaties en voorschrijfinformatie kunnen per land verschillen. Veel vermelde geneesmiddelen vereisen een geldig recept; waar een recept vereist is, moet dit geldig zijn in het land van bestemming en moeten de producten onder medisch toezicht worden gebruikt. Wij kopen, verzenden of vermelden geen gereguleerde stoffen onder de Oostenrijkse Wet op verdovende middelen (Suchtmittelgesetz, SMG) of gelijkwaardige internationale regelgeving.
Bekijk onze volledige Algemene voorwaarden en Medische disclaimer
Informatiebron
Deze productinformatie is gebaseerd op:
DrugBank — Inotuzumab Ozogamicin (DB05889); EMA SmPC — BesponsaLaatst gecontroleerd:
Vragen over dit product?
Twee manieren om ons te bereiken — snel of uitgebreid.
Persoonlijke reactie binnen 48 uur
EU-vergunde activiteiten · wereldwijde inkoop
Geen automatische offertes
Weinig tijd?
Snelle aanvraag
Alleen uw naam en telefoonnummer — klaar in 30 seconden. Wij nemen contact op en regelen de rest.
Meteen een volledig antwoord?
Uitgebreide aanvraag
Geef het medicijn, het land en uw voorkeuren door — u krijgt één antwoord met beschikbaarheid, voorwaarden en leveropties.
Of bereik ons rechtstreeks: +43 660 5464386 · contact@pharmalogistic.eu